Rubriek :
Historische figuren
Lodewijk XV van Frankrijk
(Versailles 15 febr.
1710 - 10 mei 1774), koning van 1715 tot 1774, uit het Huis
Bourbon, was een achterkleinzoon van Lodewijk XIV en zoon van
Lodewijk, hertog van Bourgondië. Hij stond tot 1723 onder het
regentschap van Filips, hertog van Orléans. Hij huwde Maria
Leszczynska, de dochter van een verdreven Poolse koning (1725),
op instigatie van Lodewijk Hendrik van Bourbon, prins van Condé.
Deze voerde tot 1726 feitelijk het bewind en vreesde dat bij een
kinderloos overlijden de kroon aan de Spaanse Bourbons of aan
Orléans zou overgaan. Na het overlijden van kardinaal De Fleury,
opvolger van Condé, vatte de koning het plan op zelf te regeren,
maar liet zich in feite beheersen door zijn maîtresses: de drie
zusters Nesle, onder wie de hertogin de Châteauroux (tot 1744),
de markiezin de Pompadour (tot 1764), de gravin Du Barry (tot
1774). Terwijl Fleury in de Poolse en de Oostenrijkse
Successieoorlogen 's lands prestige nog had weten te handhaven,
moest de gunsteling van Madame de Pompadour, Choiseul-Amboise,
na de Zevenjarige Oorlog (1756-1763) Frankrijks belangrijkste
koloniën, Canada en Louisiana, alsmede de overheersende positie
in Voor-Indië prijsgeven. Daartegenover stond de verwerving van
Lotharingen (1766) en Corsica (1768). De koning amuseerde zich
door het onderhouden van een eigen diplomatie ( 'le secret du
roi'), naast de officiële politiek, en interesseerde zich
enigermate voor de strijd tussen de jansenistische parlementen
en de jezuïeten, totdat de laatsten in 1764 verbannen werden.
Aanvankelijk genoot de koning nog een grote populariteit (Louis
le bien aimé), maar door zijn levenswijze verspeelde hij die
geheel. Dit kwam o.a. tot uiting door de aanslag van
Robert-François Damiens (5 jan. 1757). Toen Maupeou, de opvolger
van de in 1770 ten val gebrachte Choiseul, de zich tegen nieuwe
belastingen verzettende parlementen ophief (1771), was de
publieke opinie geheel tegen de regering. De begrafenis van de
aan kinderpokken gestorven koning moest bespoedigd worden wegens
de dreigende houding van het volk.